Levend leren als levensopgave
De themagecentreerde interactie als systeem van
''levend leren'' is sterk met de persoon van Ruth Cohn
verbonden. In de jaren vijftig van de vorige eeuw
werkte zij in de Verenigde Staten aan een samenhangend
concept dat uitdrukking gaf aan haar eigen wijze van
leren en werken met groepen. Centraal daarin staat het
thema dat individu, groep en taak verbindt. Bovendien
wordt ieder leerproces beïnvloed door de
maatschappelijke werkelijkheid om ons heen: de globe.
Axioma's, postulaten, methodische uitgangspunten en
hulpregels maken de themagecentreerde interactie tot
een pedagogisch systeem dat flexibel met allerlei
werkvormen aan de slag gaat in een proces van levend
leren.
Ruth Cohn (geboren 1912 in Berlijn) is van
Duitsland via Zwitserland naar de Verenigde Staten
gevlucht. In de VS heeft zij op basis van ervaringen
en reflectie haar themagecentreerde interactie
ontwikkeld.
Dit hoofdstuk vertelt de
geschiedenis van Ruth Cohn, het ontstaan van de
themagecentreerde interactie en de kenmerken van dit
opmerkelijke systeem om groepen te leiden. Het
hoofdstuk sluit af met een korte bepaling van de
specifieke kracht en mogelijkheden van de
themagecentreerde interactie in ons tijdsgewricht, de
21e eeuw.
Levend leren
In 1979 zond de Duitse televisie een documentaire
uit ter gelegenheid van het verlenen van een
eredoctoraat aan Ruth Cohn door de Universiteit van
Hamburg. Ze was daarin te zien, klein, 67 jaar oud,
een grote bos grijs haar en ongelooflijk dynamisch.
Met een niet te stuiten woordenstroom, flitsend, warm
en humoristisch en politiek geëngageerd. Steeds
inspelend op het nieuwe van een situatie, pratend met
studenten over de bezetting van de universiteit, het
publiek betrekkend bij de uitreiking van het
eredoctoraat, de spelende kinderen in de\zaal opnemend
in haar dankwoord. De documentaire geeft een beeld van
een vrouw die een leven lang gewerkt heeft aan haar
eigen engagement: levend (en vrij) te kunnen leren. De
geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling van
de themagecentreerde interactie loopt dan ook parallel
aan haar eigen ontwikkeling.
In 1933 vlucht Cohn, 21 jaar oud en van Joodse
ouders, van Berlijn naar Zwitserland, waar zij haar
studie psychologie afrondt. Zij wijdt zich vervolgens
aan twee belangrijke interessegebieden: de studie van
de psychoanalyse en de hulp aan Joodse vluchtelingen.
Psychoanalyse leert ze zien als een luxe, een
privilege van weinigen. Zij vindt het absurd om als
psychoanalytica acht patiënten per jaar te
behandelen, terwijl de wereld tegelijkertijd ten onder
gaat aan sadisme en massamoord. Maar toch zou juist de
psychoanalyse de mogelijkheid moeten bieden door deze
massahysterie heen te kijken. Tevens zou de
psychoanalyse in staat moeten zijn om grotere groepen
mensen te helpen. Cohns politieke overtuiging,
gebaseerd op haar afschuw van Nazi-Duitsland en haar
gevoel van onmacht ten aanzien van de inzet van de
psychoanalyse worden haar drijfveren voor het zoeken
naar nieuwe wegen in therapie, begeleiding en
onderwijs (Cohn 1979).
In 1941, wanneer ze naar de Verenigde Staten is
geëmigreerd, komt ze in aanraking met de gesloten
wereld van medisch geschoolde Amerikaanse
psychoanalytici. Het is voor haar een logische stap om
zich na de oorlog aan te sluiten bij de in 1948 door
Theodor Reik, een leerling van Freud, opgerichte
National Psychological Association for Psychoanalysis,
een vereniging van niet-artsen die de psychoanalyse
bedrijven. Ze gaat scholingsprogramma's leiden.
Inmiddels heeft ze dan kennisgemaakt met de zogenaamde
progressive education, een analytisch georiënteerde
pedagogiek die later mede de theoretische basis zal
vormen voor de anti-autoritaire opvoedingsbeweging (Bott,
1972). De progressive education streeft naar de
zelfregulering van het kind door het niet autoritair
op te voeden. Een kind dat tot zelfregulering in staat
is heeft een sterk en onafhankelijk ik en zal zich
verzetten tegen overheersende autoriteiten, die hun
ontzag ontlenen aan niets anders dan macht, Kinderen
leren vormen van dwang die hen wordt opgelegd als
zodanig herkennen.
Van de progressive education leert Cohn levend te
leren, vrij van wedijver, onnodige remmingen of dwang.
Dat heeft tot gevolg dat zij bij haar
scholingsworkshops de gemakkelijke stoel van de
leider/deskundige verlaat en inruilt voor een 'klein
hard stoeltje' in de kring van deelnemers (Cohn in
Ruitenbeek 1969). Ze experimenteert binnen deze meer
gelijkwaardige setting met het centraal stellen van
ervaringen van de cursisten.
In de opleiding van therapeuten spelen begrippen
als overdracht en tegenoverdracht een grote rol.
Patiënten kunnen gevoelens van vroeger op de
therapeut projecteren (dit heet overdracht), maar
therapeuten kunnen ook zelf hun eigen vroegere
ervaringen op patiënten projecteren, de z.g.
tegenoverdracht. Kan overdracht van de patiënt
positief bijdragen aan de therapie, tegenoverdracht
doet dat zeker niet. De therapeut moet daarom inzicht
hebben in zijn eigen tegenoverdracht om de patiënt
niet daarmee te belasten. In deze periode, de
vijftifer jaren van de vorige eeuw, startte Cohn met
tegenoverdrachtworkshops, waarbij zij als eerste haar
eigen gevoelens van tegenoverdracht aan de groep
voorlegde. De groep raakte zeer betrokken bij het
ontrafelen van dit probleem dat hun eigen supervisor
zelf inbracht (uiterst ongebruikelijk in die tijd!).
Een thema, een participerende leider die deel
uitmaakte van de groep en samen betrokken zoeken naar
een oplossing voor de casuïstiek die Cohn inbracht.
Cohn heeft deze workshops later als de doorbraak naar
de themagecentreerde interactie gekenschetst (zie ook
hoofdstuk >>intervisie).
Cohn wordt dus leider èn deelnemer, ze wordt
zichtbaar in de groep (transparant noemen we dat
tegenwoordig), en is daarmee geen veraf-neutrale
docent meer, maar een existentieel deelnemende en
structurerende leider (Cohn 1975). Door deze, zeker
toen, onorthodoxe werkwijze ontdekt ze dat problemen
van buiten de groep zich ook voordoen in de groep
zelf, dat steeds datgene centraal staat in het
groepsproces wat de groep op dat moment bezighoudt.
Met andere woorden, ze ontdekt hoezeer het thema in de
groep centraal staat.
In deze periode raakt ze ook beinvloed door de
filosofie van Husserl en Heidegger. De mens zoekt
voortdurend naar de zin van het leven, heeft respect
voor het leven van zichzelf en van de anderen gelooft
in eigen kracht en creativiteit. De mens wordt bij
deze filosofen geaccepteerd zoals hij is; dat mensen
gelijkwaardig aan elkaar zijn wordt voor Cohn een
belangrijk uitgangspunt.
In de jaren vijftig jaren werkt Cohn in dat grote
Amerika met zoveel nieuwe input uit het oude Europa,
relatief geïsoleerd van andere Amerikaanse
ontwikkelingen op het gebied van groepstrainingen en
groepstherapie. Het is voor haar een even
verbazingwekkende als vreugdevolle ontdekking wanneer
zij aan het begin van de jaren zestig merkt dat elders
vergelijkbare methoden ontwikkeld worden. Ze maakt
kennis met mensen als Perls, Rogers, Bennis en Satir (Cohn/Farau,
1995). Pas in de tweede helft van de jaren zestig gaan
deze ontwikkelingen breder bekend worden en ook tot
Europa doordringen.
In deze tijd beschrijft Cohn ook haar visie en
methode als het systeem van de themagecentreerde
interactie. De overtuigingen, waarden en normen die
zij als uitgangspunten hanteert voor haar pedagogisch
systeem heeft zij in axioma's geformuleerd, dat wil
zeggen niet wetenschappelijk af te leiden
vóóronderstellingen die getuigen van een 'geloven
in' (Cohn, 1979).
· De mens is autonoom en interdependent
Mensen zijn beter in staat zelfstandig keuzes te
maken in eigen verantwoordelijkheid (autonomie)
naarmate de verbondenheid (interdependentie) met de
wereld en met de ander bewuster beleefd wordt.
· Eerbied voor al wat leeft en groeit
Mensen dienen respect te hebben voor groei en
ontwikkeling en dit gegeven dient hun besluiten te
leiden
· Vrij beslissen binnen grenzen die te verruimen
zijn
Cohn gaat uit van vrijheid in gebondenheid. Onze
maatschappelijke en persoonlijke omstandigheden
bepalen hoe vrij we zijn om te kiezen. Steeds worden
wij ook uitgedaagd gegeven grenzen te verruimen. Cohn
stelt dat 'het bewustzijn van onze universele
interdependentie de basis is van onze
verantwoordelijkheid als mens'(1979).
Thema en interactie in balans
Werken aan weerstand gaat vooraf aan het werken aan
de inhoud, is een van de standaarduitspraken van Cohn.
Niet alleen sterke weerstanden zoals overdracht of
projectie, maar ook allerlei kleine schijnbaar
onbetekenende zaken als slecht geslapen, een ruzie,
afgeleid door het mooie weer, een vervelend gesprek
dat komen gaat, een cursist die te veel aandacht
trekt, hoofdpijn, een thema dat niet pakt, noem maar
op (ook leuke dingen kunnen dwars zitten!). Een
storing in hoofd of lijf betekent dat je niet leert en
dat je je motivatie en concentratie op het leren
kwijtraakt. Dus meld je storing!
Cohn noemt deze grondregel een postulaat: storingen
hebben voorrang. Ze omschrijft deze regel als volgt:
''Storingen, spanningen en intense gevoelens hebben
voorrang. Ze hebben voorrang wanneer je, ook al wil je
het nog zo graag, niet in staat bent te volgen wat er
in de groep gaande is -wanneer je je verveelt,
gespannen of verstrooid bent, of ook wanneer je juist
geen zin hebt.Zeg het in dat geval, alsjeblieft.
Daarmee kun je jezelf helpen om dat wat je bezighoudt
de baas te worden. En je helpt de groep om weer
aansluiting met jou te vinden. Het is onmogelijk diepe
smart en intense vreugde te onderdrukken, wanneer het
meedelen ervan voor jou erg belangrijk is''(Cohn
1979).
Als de weg versperd wordt door een grote steen, kun
je van alles ondernemen om er langs te komen of
eroverheen te klimmen. Een ding kun je niet, net doen
of dat rotsblok er niet ligt. Dat beeld gebruikt Cohn
om aan te geven dat er vele weerstanden kunnen zijn
die verhinderen dat iemand deelneemt aan het
leerproces. Levend leren is niet mogelijk zonder de
erkenning van de waarde en de kracht van aanwezige
storingen. Storingen kun je productief maken voor een
zo dynamisch mogelijk proces van samen leren.
De autonomie van ieder groepslid reguleert de
leerbalans; je neemt verantwoordelijkheid in
onderlinge verbondenheid met de leden van de groep.
Cohn vertaalt haar axioma van autonomie en
interdependentie in haar tweede postulaat: wees je
eigen leider. Ze verwoordt dit als volgt:
'Wees je eigen leider, wees de verantwoordelijke
leider van je eigen zelf in deze groep. Zeg iets of
zeg niets, net waar je het zelf als juist en
belangrijk ziet. Geef aan anderen wat voor jou
belangrijk is om te geven; probeer te ontvangen, te
nemen, wat belangrijk is met betrekking tot ons thema.
Bekijk je thema vanuit je eigen standpunt. Als je je
niet aan het thema kunt houden en iets anders wel
belangrijk voor je is, zeg het. Ik zal hetzelfde
doen" (Cohn, 1979).
Eigenlijk neemt dit postulaat de storingsregel in
zich op: als eigen leider in je eigen leerproces meld
je je eigen storingen, een daad van
verantwoordelijkheid nemen bij uitstek. Deelnemer en
begeleider zijn beiden in gezamenlijkheid eigen
leider.
Het bol-driehoeksmodel
Cohn heeft langdurig geobserveerd wat er op
interactiegebied in haar groepen plaatsvond. Ze nam
daarbij een aantal ik-gebonden vragen (thema's) waar.
Tevens zag ze hoe deze persoonlijke vraagstellingen,
eenmaal ingebracht, vragen konden worden van de hele
groep. Andersom kon een groepsthema leiden tot zeer
individueel uitgewerkte persoonlijke thema's.
Een belangrijke aanvulling van Cohn was dat in
leerprocessen vaak geen sprake was van een
vrijblijvend leren zonder doelstellingen, maar juist
van taakgebonden thema's. Mensen leren binnen een
context van opdrachten, doelstellingen en taken. Taak
(het ''het''), de groep (het ''wij'') en het individu
(''ik'')bepalen samen de dynamiek van het leerproces.
Wat zij leren bundelt zich als het ware in het
centraal staande thema. Deze balans noemde Cohn een
dynamische balans: er is nooit een statisch evenwicht
in het leerproces van een groep; er is altijd een
zoeken, een formuleren, een cirkelen rond een thema.
Leren kan niet in balans zijn ("never balance the
unbalanced'').
(figuur boldriehoek)
Een vierde element in deze balans mag zeker niet
onbesproken blijven. Als geen ander heeft Cohn de
realiteit onder ogen gezien van de invloed van de
maatschappij om ons heen op het leren: de invloed van
de globe. Haar persoonlijke geschiedenis is hier niet
vreemd aan. De wereld om ons heen is in grote of
kleine mate aanwezig. Leren vanuit een bedrijfscontext
is er een voorbeeld van; ook de plek waar je leert, de
besteedbare tijd, het nieuws van de dag, de
werksituatie en de beleving daarvan zijn elementen van
de globe. Ruitenbeek (1974) heeft dit ooit
verduidelijkt aan de hand van een wel heel concreet
voorbeeld, de moord op Kennedy op het moment dat Cohn
een workshop leidde:
''Ruth Cohn nam dit actuele emotionele gebeuren in
de opzet van haar workshop op. Ze vertelt dat deze
gebeurtenis van enorme invloed op de deelnemers was.
Er waren tranen, liefde, medeleven en minachting. De
reacties van patiënten werden duidelijk. Ze bespreken
verschillende manieren waarop men in zijn werk met
zijn gevoelens om kan gaan. Hoe men emoties kan
hanteren door ze te laten versmelten met de eigen
psychische ervaringen van de patiënt, zoals ''door
mijn droefheid de zijne ontdekken.''
De begeleider heeft en dubbele bewakingsopdracht,
aldus Cohn. Hij of zij dient de interactiedriehoek (ik-wij-het)
en tegelijkertijd de globe (tijd, ruimte, omgeving) te
bewaken.
(figuur dubbele bewaking)
5. Regels en technieken
Zorgen de axioma's dat themagecentreerde interactie
als een samenhangend systeem van pedagogische waarden
te zien is, de postulaten zijn samen met het
dynamische bol-driehoekmodel te waarderen als de
kernbegrippen voor de methodiek van de
themagecentreerde interactie. Als ondersteuning
daarvan heeft Cohn altijd een aantal belangrijke
regels voor interactie benadrukt. Deze bespreek ik
eerst. Vervolgens behandel ik de regels voor het
formuleren van het thema.
De volgende hulpregels (of interactieregels) worden
gehanteerd:
· Vertegenwoordig jezelf in wat je zegt; spreek
met 'ik' en niet met 'je' en 'men' of 'wij';
· Als je een vraag stelt, zeg dan waarom je die
stelt en wat die vraag voor jou betekent.Verklaar
jezelf en vermijd het interview;
· Wees authentiek en selectief in je
communicatie.Laat tot je doordringen wat je denkt en
voelt en wees selectief in wat je zegt en doet;
· Onthoud je zolang mogelijk van het geven van
interpretaties ten aanzien van anderen. Deel in plaats
daarvan jouw persoonlijke reacties mee;
· Wees voorzichtig met generalisaties;
· Als je iets zegt over het gedrag of over de
karaktereigenschappen van een ander, zeg dan ook wat
het voor jou betekent dat de ander zo is (dat wil
zeggen: zoals jij hem of haar ziet);
· Onderlinge gesprekken hebben voorrang. Ze storen
en zijn meestal belangrijk. Ze zouden niet gehouden
worden als ze niet belangrijk waren;
· Slechts één tegelijk alsjeblieft;
· Als je met meer dan één tegelijk wilt spreken
maak dan in trefwoorden duidelijk waarover jullie van
plan zijn iets te zeggen.
-Spreek met 'ik'.
Onze spreektaal kan enorm verhullend werken.
"Je moet dat ook niet zo doen", zegt iemand.
"Wat moet ik niet zo doen?" vraagt de ander.
"Nee, ik bedoel mezelf", is het antwoord. We
gebruiken bijna allemaal het woordje je of men of wij
als we ik bedoelen. Hou het simpel, zeg ik als je ik
bedoelt!
-Als je een vraag stelt, zeg dan waarom je die
stelt.
De vraag "Waarom ben je zo stil", kan
heel veel betekenen. Het kan zijn dat de vragensteller
zich zorgen maakt of zich ongemakkelijk voelt. Het kan
ook agressief van toon zijn. En het woordje 'waarom'
brengt iemand snel in de verdediging. Er ontstaat geen
gelijkwaardig gesprek omdat de vragensteller
onvoldoende informatie geeft. Hij had beter kunnen
zeggen: ''Ik maak me zorgen omdat je zo stil bent. Ik
vind dat je zo verdrietig kijkt en dat maakt mij
onzeker. Kun je me vertellen wat er is?" Vooral
bij multi-interpretabele vragen zonder feedback op
eigen en andermans gedrag vindt er een interview
plaats.
-Wees authentiek en selectief in je communicatie.
Ik kan iemand uitfoeteren of een grote egoïst
vinden. Ik kan van iemand vinden dat ie een
vadertrauma heeft en naar de therapeut moet. Ik kan
iemand confronteren met zijn gedrag, ja zelfs
provoceren. Alles wat ik zeg als zelfverantwoordelijk
individu (authentiek mezelf zijnd) zeg ik tegen mensen
naar wie ik ook een verantwoordelijkheid heb. En dat
kan betekenen dat ik (nog) niet alles zeg, maar inslik
of uitstel. Dat is interdependentie. Ik moet bewust
afwegen om schade in de interactie of vriendschap te
voorkomen.
-onthoud je zo lang mogelijk van het geven van
interpretaties.
Het psychologiseren is ons lief! Vaak weten we
(denken we) wat een ander mankeert, wat de oplossing
is van diens probleem, zien we zijn blinde vlekken.
Meestal slaan we de plank mis, remmen een ander af in
diens woordenstroom en zijn onze interpretaties
ronduit te makkelijk, te snel geplaatst. Bij
interpreteren laat je ook niets van jezelf zien: je
gevoel, je emotie.
-wees voorzichtig met generaliseren.
Generaliserende opmerkingen nemen afstand tot de
persoon zelf en maken van een persoonlijke opmerking
een soort algemene standaard: iedereen doet zo, wij
vinden dat allemaal.
De regel botst met die van authenticiteit en
feedback geven.
-Onderlinge gesprekken hebben voorrang
De storingsregel heb ik al toegelicht. Onderlinge
gesprekken zijn altijd een storing voor de groep. Het
geven van aandacht aan deze gesprekken brengt vaak
werkelijke storingen boven tafel, mits de groep de
aandacht voor het zijgesprek niet als bestraffend
ervaart. Als het zijgesprek niet van belang is, kan
gevraagd worden of de betrokkenen weer kunnen
aanhaken.
-Slechts één tegelijk alsjeblieft
Interactie vraagt, behalve het vermogen te spreken
ook om het vermogen te luisteren en iemand te laten
uitspreken. Elkaar laten uitspreken is ook een vorm
van elkaar accepteren, van aandacht voor elkaar en van
concentratie op thema en groepsgenoot. Ook non-verbaal
kan er veel ''drukte'' zijn (kuchen, wiebelen).
-Als er meer dan één tegelijk wil spreken maak
dan in trefwoorden duidelijk waarover jullie van plan
zijn iets te zeggen.
Deze regel is vooral van belang om de dominantie
van enkelen over meerderen in een groep uit te bannen.
Anders gaan stille en rustige deelnemers zich
terugtrekken. Het moet vanzelfsprekend zijn dat, als
meerderen over een opmerking iets willen zeggen, zij
ook aan bod kunnen komen. Inventariseer de te
bespreken zaken en schep orde in het gesprek.
De hulpregels van Cohn zijn geen dwingend kader,
maar kunnen flexibel toegepast worden in een groep.
Het initiatief in deze van de begeleider kan
overgenomen worden door deelnemers. Star toepassen van
deze regels haalt het levende uit het leren en de
interactie van de groep. De regels helpen als autonome
leiders te leren, rekening houdend met elkaar.
6.Themaformulering en themapresentatie
Een tweede stel hulpregels behelst het formuleren
van thema's. Cohn (1979) geeft samengevat de volgende
regels:
· Het thema moet niet te eng zijn dat het te
weinig ruimte laat voor associaties en niet zo ruim
dat het tot het oneindige voert. Zoals alle structuren
moet het vrijheid en gebondenheid aanbieden;
· Het thema moet concreet genoeg zijn om beelden
en gedachten te stimuleren, maar niet zo scherp
afgebakend dat het nieuwe perspectieven uitsluit;
· Het thema moet kort en helder geformuleerd
worden, zodat het gemakkelijk in het geheugen blijft
hangen, maar niet zo gewoon dat het verveelt;
· Het thema moet de belangstelling van alle
deelnemers kunnen omvatten en, wanneer mogelijk, dat
kunnen overstijgen;
· Het thema moet als wegwijzer fungeren naar taak
en doelstellingen;
· Het thema moet er toe dienen belangstelling,
kennis en ervaringen met elkaar te combineren;
· Het thema moet zo geformuleerd worden dat je er
constructief op kunt doordenken.
In de praktijk wordt het thema vaak kort ingeleid.
De wijze waarop doet er minder toe. Mogelijkheden zijn
onder meer: mondelinge inleiding, een oefening of
spel, tekenen, dia's of filmpje e.d. De inleidende
werkvorm of mondelinge introductie is er op gericht
het thema te laten 'indalen' bij de deelnemers.
Ook wordt veel gebruik gemaakt van stilte om eigen
associaties, ervaringen, beelden leervragen e.d. op te
laten komen. De afronding van de introductie van het
thema richt zich opnieuw op het formuleren van het
thema als krachtig, toekomstgericht, motiverend en
ruimtescheppend appèl op de deelnemers.
Cohn gebruikt zelf vaak de techniek van het
drievoudig zwijgen bij de introductie van het thema.
· Concentreer je gedachten op het gegeven thema;
· Concentreer je op hier-en-nu gevoelens en
ervaringen in deze groep;
· Concentreer je op de in het thema gegeven taak.
6. Cohn en de themagecentreerde interactie anno
2003
7. Literatuur
-Dit hoofdstuk is voor een groot deel gebaseerd op
de tekst van hoofdstuk 1 uit mijn boek ''Levend leren,
theorie en praktijk van de themagecentreerde
interactie'' (Studiecentrumboek, De Horstink,
Amersfoort, 1982. De uitgeverij is failliet gegaan en
het boek is al jaren niet meer verkrijgbaar.
-
-
-
BEGELEIDE INTERVISIE: DE WEG NAAR ZELFSTURING
"Is het belangrijk om te weten hoe je
problemen moet oplossen?" vroeg Poeh. het beviel
hem wel een Zeer Belangrijke Beer te zijn en als het
oplossen van problemen belangrijk was, zou het
misschien helpen om te leren hoe.
"Heel belangrijk. En dat wordt het steeds
meer. Vanwege allerlei veranderingen en de technologie
zijn er veel nieuwe problemen op te lossen die we
vroeger nooit hoefden op te lossen. Dat kan lastig
zijn, omdat we niet kunnen zeggen "Oh, dat is
precies hetzelfde probleem als we verleden jaar al
opgelost hebben". We moeten ze oplossen zonder
dat we er ervaring mee hebben. Voorbeelden daarvan
zijn: de problemen in de automatisering en bij
communicatie en bij internet en DNA en..."
"Dat klinkt naar wat je kunt verwachten",
onderbrak Iejoor, "Verandering veroorzaakt bijna
altijd problemen."
(uit: Winnie-de-Poeh en het Oplossen van Problemen)
Poeh leert samen met zijn vrienden problemen op te
lossen met -hoe kan het ook anders- de LOS-OP-Methode.
Problemen op het werk oplossen met behulp van
intervisie gaat op een vergelijkbare manier: intuitie,
ervaring en logica in combinatie met communicatieve
vaardigheden en bruikbare methoden spelen een
belangrijke rol. Achtergrond en opleiding van een
groepje collega's kan soms onvoldoende garantie bieden
om intervisie in de praktijk uit te proberen en vol te
houden. Dan is het verstandig om bij de opstart
gebruik te maken van een in intervisie geschoolde
interne of externe begeleider die zijn kennis en kunde
kan overbrengen op de groep, zodat deze na verloop van
tijd zelfstandig met intervisie aan het werk kan. Dat
noemen we begeleide intervisie en daarover handelt
deze bijdrage, die een vervolg is op mijn artikel in
Labriefing no.4.
Voorwaarden begeleide intervisie
Er zijn drie belangrijke voorwaarden om te starten
met een begeleide vorm van intervisie.
De eerste heeft betrekking op de groep deelnemers
zelf: motivatie, vertrouwen in elkaar en bereidheid om
met en van elkaar te leren zijn heel belangrijke
voorwaarden om tot een goed intervisieproces te komen.
Eventueel ontbrekende kennis en kunde van
groepsdynamica en intervisiemethoden kunnen dan
vervolgens aangeleerd worden door de begeleider
(voorwaarde twee). Een intern of extern aangetrokken
begeleider leert de groep met elkaar te praten, naar
elkaar te luisteren, (moeilijker dan menigeen denkt!)
te werken aan een concreet resultaat en vooral het
hanteren van een aantal intervisiemethoden. De kunde
van de begeleider bestaat er met name in dat hij of
zij zich overbodig maakt in de groep en de deelnemers
instrumenten in handen geeft voor werkelijke
zelfsturing. Als de begeleider zich teruggetrokken
heeft kan afgesproken worden dat hij als een soort
steunpunt blijft functioneren door adviezen te geven,
werkvormen aan te reiken of van tijd tot tijd een
training te verzorgen.
Een derde voorwaarde heeft betrekking op de
afspraken die de groep met elkaar maakt en met de
organisatie, wanneer intervisie is ingebed in de
organisatie. Een intervisiegroep maakt afspraken
bijvoorbeeld over aanwezigheidsverplichting, op tijd
komen en niet vroeger weggaan, het leiden van de
bijeenkomst, geheimhouding, de voorbereiding voor de
volgende keer, verslaglegging, de frequentie van
bijeenkomsten (bv. een maal per twee a drie weken)
enz. Wanneer de organisatie faciliteiten biedt kan het
ook belangrijk zijn de afspraken over en weer
schriftelijk in de vorm van een contract vast te
leggen zodat het voor alle partijen duidelijk is wat
de spelregels zijn waaraan men zich moet houden.
De incidentmethode
-stap 1: de incidentbeschrijving (15 minuten)
Vijf managers van de verschillende
laboratoriumafdelingen van een groot ziekenhuis zijn
bijeen voor hun eerste intervisiebijeenkomst. De
begeleider van deze bijeenkomst vraagt ieder na te
denken over een in te brengen incident, een actueel
moment uit hun beroepspraktijk. Het probleem met de
meeste urgentie volgens de inbrenger zal gekozen
worden als het te bespreken incident. In het rondje
dat volgt blijkt Ben van het klinisch chemisch lab
zijn werkprobleem met de nodige emotie in te brengen.
"Op mijn afdeling werken zo'n 75 mensen. De
groep bestaat uit analisten die een hoge gemiddelde
leeftijd heeft, meer dan 45 jaar. Ze werken vaak al
heel lang op het lab. Er bestaat bij deze groep niet
zo'n behoefte aan verandering en vernieuwing; er zijn
ook weinig mogelijkheden om het werk interessanter en
uitdagender te maken. Er bestaat bij deze ouder
wordende groep een steeds groter wordende weerstand
tegen de onregelmatige diensten. En over 10 jaar zijn
het allemaal 55 plussers... De meesten zitten in hun
eindschaal. De directie zei laatst dat de afdeling
veel te duur is en dat er gereorganiseerd moet
worden!"
-stap 2: vragen noteren (5 min.)
De collega's van Ben noteren de vragen die bij hen
opkomen. De begeleider wijst er dat de tijd alleen
gebruikt mag worden om na te denken en te schrijven.
Men moet zich bepalen tot het incident: de directie
vindt de afdeling te duur en denkt aan reorganisatie.
-stap 3: de informatieronde (20-30 min.)
Ben's collega's stellen de vragen die ze genoteerd
hebben. De begeleider zorgt er voor dat er geen
interpreterende of suggestieve vragen gesteld worden
("ben je wel een goede manager?")
en dat er ook geen vragen gesteld worden met een
ingeslopen advies. Ben beantwoordt de vragen
uitvoerig.
-stap 4: de analyseronde (20-30 min.)
De collega's bespreken met elkaar hoe zij de
situatie zien en welke oorzaken ze hebben ontdekt, hoe
de rol van Ben bij het incident was, hoe het team
reageert, welke omgevingsfactoren een rol spelen enz.
Nu mag er wel hardop gedacht en geinterpreteerd
worden. De begeleider geeft aan dat Ben moet luisteren
en niet mag reageren op vragen.
-stap 5: adviesronde (20 minuten)
De begeleider stelt de collega's van Ben de
volgende vraag: "Wat zouden jullie doen in deze
situatie?" Ieder schrijft adviezen en te nemen
stappen op. De begeleider noteert de adviezen op een
flap. Er komen de volgende suggesties:
-scholing kan helpen om de mobiliteit van het
personeel te versterken
-schakel de afdeling P&O in om een
loopbaantraject te ontwikkelen
-nodig oud-medewerkers uit om informatie te geven
over hun stap naar bv. het bedrijfsleven
(succesverhalen)
-loof een vertrekpremie uit met de belofte dat
vertrekkers een jaar lang de mogelijkheid hebben om
terug te keren op hun oude werkplek
-verzamel advertenties en bespreek deze
-wees open en transparant over de ontstane situatie
en bespreek het probleem met de betrokkenen
-verhoog de frequentie van de
functioneringsgesprekken
-maak samen met andere afdelingen een
mobiliteitsplan
-stap 6: de reactie van de inbrenger (10 min.)
Ben reageert op de adviezen. Natuurlijk kan hij nog
niet alles overzien en kunnen verschillende adviezen
tot nieuwe inzichten of reflecties, plannen en
oplossingen leiden. De begeleider vraagt hem aan te
geven welke opmerking hem het meeste trof em met welke
stap hij concreet wil beginnen.
-Stap 7: evaluatie en werkafspraken (15 min.)
Proces- en productkant van de intervisie worden
besproken. Er wordt een afspraak gemaakt wie de
volgende keer het gesprek wil leiden zodat er door de
deelnemers zelf met deze methode geoefend kan worden.
Succesfactoren
(Begeleide) intervisie levert winst voor individu
en organisatie op. Onderzoek verwijst vooral naar
leerwinst en gedragsverandering op het gebied van
communicatieve vaardigheden: het doorvragen, vragen
naar gedachten, gevoelens en belevingen, het stellen
van reflectievragen en het opnieuw -in andere woorden-
formuleren van het werkprobleem. Deze veranderingen
hebben een positieve invloed op het functioneren op de
werkplek. Die "verschrikkelijk eenvoudige"
communicatie heeft de Amerikaanse onderzoeker van
communicatieprocessen Watzlawick dat eens met grote
nadruk op verschrikkelijk genoemd.
Daarnaast heeft het deelnemen aan een
intervisiegroep nog een aantal andere effecten die van
belang zijn voor het individu in relatie tot zijn
werkomgeving.
1. de intervisiegroep als een plek voor
uitwisseling van ervaringen
Mensen ontlenen aan het deelnemen een gevoel van
`er bij horen'; ze willen ervaringen delen en gehoord,
gerespecteerd worden. Zo'n kleine groep is relatief
veilig en overzichtelijk.
2.de intervisiegroep als steungroep
Er is aandacht voor jouw probleem, boosheid, wrok,
gevoelens en irritaties. Het uiten hiervan kan nieuwe
energie geven omdat je problemen nu door een andere
bril ziet.
3.de intervisiegroep als coach
In een intervisiegroep wordt concreet gewerkt aan
problemen en oplossingen. Dat verhoogt ieders
kwaliteit, professionaliteit en zelfbewustzijn.
Ook in mijn eigen praktijk als begeleider en
trainer van intervisiegroepen hoor ik steeds terug dat
aanvankelijk aandacht voor het eigen verhaal van heel
groot belang is en dat er al werkend een verschuiving
ontstaat naar gedragsverandering en verhoging van
professionaliteit.
Implementatie
Bij het `aanjagen' van intervisie in een
organisatie speelt een aantal vragen een rol. De meest
dwingende vraag is gericht op de positie van
intervisie binnen de totaalvisie van een organisatie
en het daarmee samenhangende personeelsbeleid.
Intervisie is goed in te passen in een HRM-beleid of
een op zelfsturing en coaching gerichte organisatie.
Er kunnen dan linken gelegd worden naar de inbedding
van intervisie in een totaalbeleid waarin
functioneringsbeoordeling, loopbaanontwikkeling,
scholing en collegiaal functioneren speerpunten van
beleid zijn. De inhoud van een intervisieproces is op
zich niet van belang voor een functioneringsgesprek,
maar het feit dat men intervisie gedaan heeft en dat
er wellicht een specifieke scholingsvraag uit gegroeid
is, is wel van belang.
Een tweede vraagstuk is gelegen in het
daadwerkelijk betrekken van de lijn bij
intervisieactiviteiten. Als de manager of de directie
zelf ook met intervisie (of vergelijkbare
ontwikkelingen) actief is, dan is de draagkracht voor
en het effect van intervisie binnen een organisatie
veel groter dan wanneer dit alleen door een stafdienst
gepropageerd wordt. Steun van de lijn is een vorm van
borging binnen de organisatie om even in
kwaliteitstermen te spreken.
Bij implementatie is het verstandig te beginnen met
een `pilot', kleinschalig en experimenteel; van de
pilot wordt dan een goed verslag gemaakt met de
positieve en minder positieve bevindingen plus
leerpunten voor de toekomst. En publiceer dat bv. in
het personeelsblad.
Natuurlijk kan intervisie, al of niet met een
begeleider, ook buiten werktijd en zonder
verantwoordelijkheid van de organisatie voortreffelijk
werken, zeker in combinatie met een hapje eten! Mits
de randvoorwaarden bewaakt worden.
Om met Winnie de Poeh te spreken: LOS-OP.
Lokaliseer het probleem, Observeer en definieer, Stel
vragen, verzin mogelijke Oplossingen, Pas ze toe en
controleer de resultaten!
En leer net als Poeh dat domme vragen stellen Heel
Belangrijk kan zijn...
BOX 1
succesfactoren voor begeleide intervisie
1. het is laagdrempelig
2. relatief goedkoop en makkelijk te organiseren
3. werk in het begin met een intern of extern
begeleider
4. werk bewust aan zelfsturing en het overbodig
maken van de begeleider
5. geeft intervisie een plaats in het
personeelsbeleid
6. betrek lijn en stafdiensten in het
ontwikkeltraject
7. het voorziet in een behoefte aan aandacht en
respect
8. het levert resultaten in de vorm van
gedragsverandering
BOX 2
INTERVISIECONTRACT
1. vermeld de doelstellingen van het traject
vermeld de betrokken partijen
2. beschrijf de randvoorwaarden voor het traject
zoals:
-frequentie bijeenkomsten, tijdsduur
-werkafspraken tussen de deelnemers (bv.aanwezigheidsverplichting)
-binnen of buiten werktijd; overige faciliteiten
3. maak afspraken over de vertrouwelijkheid
4. geef aan wat er wel naar buiten mag komen (bv.
resultaten)
4. verhelder relatie naar
functioneringsbeoordeling, loopbaanontwikkeling,
scholing e.d.
5. beschrijf de rol van de begeleider
6. onderteken het contract.
BOX 3
De zelf-intervisietest
1. formuleer in een zin het probleem waaraan je
wilt werken
2. wat wil je bereiken t.a.v. het probleem?
3. wat is het kernpunt van het huidige probleem?
4. wie zijn er allemaal bij betrokken?
5. wat heb je tot nu toe aan de oplossing gedaan?
6. welke beren op de weg moet je overwinnen?
7. welke hulpmiddelen heb je?
8. wat wordt je eerste stap?
(mijn voorkeur gaat uit naar de boxen 1 en 3, zie
maar)
literatuur
Jeroen Hendriksen, Begeleid Intervisiemodel.
Collegiale advisering en probleemoplossing.
Uitgeverij Nelissen, Baarn. 1998-2.
Jeroen Hendriksen is directeur van de Academie voor
Haptonomie in Doorn en tevens trainer/adviseur. Tel.
026-4432471.
(de auteur bedankt Henk van der Pol, clustermanager
Klinisch Chemisch Laboratorium van het Ziekenhuis
Rijnstate te Arnhem voor zijn suggesties)
|