Recensies uit
Nieuwsbrief
dagbesteding
Supervisie
in opleiding en beroep
Psyche
Markant
ZM
Manager
& Literatuur
HBO-Journaal
Zorg+Welzijn
Schoolbestuur
De Tijd
Link
Uitgeverij
Nelissen
|
Recensies
Collegiale consultatie
ISBN 9024414539
112 pag. | Tweede druk 2002 | 12,20
De
Tijd
Wie
aan consulenten denkt, denkt aan duurbetaalde
specialisten uit gerenommeerde bureaus, wiens ereloon
het budget van elk bedrijf zienderogen doet slinken.
Maar in organisaties wordt voortdurend aan allerlei
vormen van consultatie gedaan, meestal tussen
collega's onderling, of met een directe chef. Allemaal
ongeorganiseerd. Dat het ook anders kan werd ruim
dertig jaar geleden ontdekt door de Amerikaanse
psychiater Gerald Caplan. Hij ontwikkelde een
eenvoudige methodiek: "Er wordt een vraagstelling
voorgelegd aan iemand die geïnteresseerd is in deze
specifieke problematiek en die in staat is, als
deskundige, een goed advies te geven". Wat een
dagelijkse praktijk zou moeten zijn in organisaties -
en wat zinnige mensen ook horen te weten uit hun
ervaring - wordt hier ten overvloede gedefinieerd en
ontleed, en voorzien het soort van strikte
methodologie die elke vorm van intuïtief handelen en
van creatieve spontaneïteit die het kenmerk zouden
moeten zijn van onderlige consultatie, dreigen de
doodsteek te geven. Een boek dat alleen academici en
diegenenen die verslaafd zijn aan methodologie iets
bijbrengt.
Uit: De Tijd, donderdag 22/6/2000

Illlustratie:
Beatrijs van de Bos
Schoolbestuur
"Wat
wordt er eigenlijk bedoeld met collegiale consultatie?
Wat is communicatie eigenlijk en wat is een netwerk?
Speelt dit ook in het onderwijs? Deze vragen worden
beantwoord in het handzame, leuk geïllustreerde en
prettig leesbare boek van Jeroen Hendriksen. Met
elkaar praten en elkaar helpen is ouder dan de weg
naar Rome, aldus Jeroen Hendriksen in zijn boek
"Collegiale consultatie, consult vragen, consult
geven". Iedereen heeft op het werk wel een maatje
om bij uit te huilen of te mopperen. Gesteund door
diens opgewekte woord kun je weer even verder.
Hendriksen
is parttime directeur van de Academie voor Haptonomie
in Doorn, organisatie-adviseur en trainer op het
gebied van communicatie. Hij gebruikt allerlei
elementen uit de psychiatrie en psychotherapie om het
begrip communicatie op het werk te verhelderen. In
zijn inleiding geeft hij aan dat hieraan lange tijd
geen structuur is gegeven totdat de Amerikaanse
psychiater Gerald Caplan bij zijn werk in Israël
ontdekte dat je beter met sleutelfiguren in een
organisatie kon praten dan met iedere medewerker of
cliënt apart in een onderonsje.
Caplan
werkte in de opvang van immigrantenkinderen in de
nieuwe staat Israël. Daar merkte hij dat een deel van
de problemen te herleiden was naar de groepsleiders en
de visie van het tehuis op het omgaan met de
problemen. Hij concludeerde dat het het meest
efficiënt was om het gebrek aan kennis en
vaardigheden dat hij constateerde, te bespreken met de
begeleiders en niet de oplossing te zoeken bij de
groep kinderen. Hij onwikkelende vervolgens een
consultatietechniek die Hendriksen op een rijtje zet.
In
zijn boekje betoogt Hendriksen dat collegiale
consultatie in haar eenvoud doeltreffend kan zijn. Er
moet echter wel worden voldaan aan een aantal
voorwaarden: tijd en rust nemen voor het
consultgesprek, het gesprek op adequate wijze voeren
met behulp van een aantal communicatieregels en een
netwerk voor consultatie ontwikkelen.
De
meest recente ontwikkelingen in de supervisiewereld
geven aan dat collegiale consultatie meer en meer
gezien wordt als een probleemoplossend of op advies
gericht middel. In onderwijskringen definieert De Hoop
in 1998 collegiale consultatie als "een bepaalde
vorm van deskundigheidsbevordering, waarbij collega's
met ongeveer gelijke status en beroepsuitoefening en
in collegiaal opzicht gelijkwaardig, wederzijds
doelgericht leren van elkaars onderwijskundige
ervaringen in de dagelijkse les- en
begeleidingspraktijk".
Van
collegiale consultatie is volgens Hendriksen sprake
wanneer twee collega's met elkaar een gesprek aangaan
om actuele werkvragen te bespreken. Dit kan door
middel van uitwisseling van denkbeelden, gerichte
advisering en probleemoplossing, elkaar te
onderwijzen, vaardigheden aan te leren of te
reflecteren. De gespreksrelatie gelijkwaardig van aard
en vertrouwelijk van karakter.
In
het tweede hoofdstuk gaat Hendriksen uitgebreid in op
het onderwerp netwerken, de toegevoegde waarde bij
consultatie. Leuk om te lezen en om te zien is hier de
beschreven techniek "mindmapping". Het is
een simpele techniek: op het midden van een stuk
papier schrijf je de vraag op. Vervolgens ga je met
behulp van bolletjes, tekeningetjes etc. al
brainstormend je gedacht vrijuit verzamelen. Op deze
wijze krijg je scherp in beeld hoe je netwerk eruit
ziet en waar de witte plekken zich voordoen. Door
middel van een sterkte/zwakte-analyse krijg je goed in
beeld hoe het met je eigen netwerk gesteld is: de
onderhoudsbeurt van het netwerk.
Het
derde hoofdstuk gaat over kernthema's die voor de
gespreksvoering in collegiale consultatie van belang
zijn en aansluiten op het in het eerste hoofdstuk
behandelde gespreksmodel zoals lichaamstaal (65
procent van onze communicatie heet plaats via
lichaamstaal) en feedback.
In
hoofdstuk vier beschrijft Hendriksen de proceskant van
het gesprek als een soort (niet verplichte)
verdiepingsstof. Hij bespreekt hierbij de methodiek
van de themagecentreerde interactie (TGI) van Ruth
Cohn. De vier hulpregels van TGI zijn: 1) wees
terughoudend met generaliseren, 2) wees selectief en
authentiek in je communicatie, 3) wees terughoudend
met interpreteren en spreek in plaats daarvan je
persoonlijke reacties uit en 4) let op signalen van je
lichaam. Hendriksen geeft (schematisch) aan op welke
wijze TGI een rol kan spelen om het gesprek te
structureren. In het laatste hoofdstuk wordt aandacht
gegeven aan een voorbeeldtraining in collegiale
consultatie. De onderdelen hieruit kunnen als aparte
oefeningen worden gebruikt.
Alle
hoofdstukken worden afgesloten met een praktische
samenvattende checklist en een aantal oefeningen. Op
de achterflap van het boek staat terecht dat het
geschreven is voor een breed publiek, zowel profit als
non-profit. Docenten, studenten, maar ook
schoolbestuurders en management kunnen hun voordeel
doen met de beschreven methoden en technieken. Altijd
goed voor een nog beter (gestructureerd) gesprek.
Uit: Schoolbestuur, 20, nummer 6, juni/juli 2000
Zorg
en welzijn
Bij collegiale consultatie roept de consultvrager hulp
en advies in van een deskundige collega. De
consultvrager kan een volgende keer zelf de
consultgever zijn. Deze werkwijze is volgens
organisatieadviseur Jeroen Hendriksen een goedkoop
alternatief voor andere begeleidingsvormen als
coaching, mentoring en intervisie. Naast een korte
inwijding in het centrale begrip bevat het boekje
checklisten en oefeningen zodat de lezer zich de
methodiek van collegiale consultatie kan eigen maken.
Belangrijk volgens Hendriksen is dat het advies geven
en vragen gebeurt in een gestructureerd gesprek zodat
beide partijen er ook echt iets aan hebben.
Communicatie is het toverwoord, aldus Hendriksen. Zijn
ervaring is dat dit vaker fout dan goed gaat.
"Die verschrikkelijk eenvoudige
communicatie", luidt dan ook de ironische titel
van een hoofdstuk. Een greep uit de slordigheden die
we in ons dagelijks bestaan begaan. "We begrijpen
de ander niet, luisteren niet, slaan geen acht op
non-verbaal gedrag, nemen geen tijd, interpreteren te
snel en nog foutief ook, enzovoort, enzovoort."
De eisen van een informatief gesprek zijn echter: zeg
het hoogst noodzakelijke en niet meer dan dat, spreek
de waarheid, wees relevant, wees duidelijk. Niemand
praat volgens Hendriksen echter volgens deze regels.
Terwijl dat volgens de organisatieadviseur wel
noodzakelijk is om elkaar als collega;s eerlijk advies
en feedback te geven.
Uit:
Zorg+Welzijn nummer 13, augustus 2000
HBO-Journaal
HBO-docenten
zijn allang geen koning in hun eigen leslokaal meer,
maar onderwijsontwikkelaars die samen nieuwe
programma's opzetten en uitvoeren. Samenwerken en
leren van elkaar wordt daardoor steeds belangrijker.
In "Collegiale consultatie" speelt Jeroen
Hendriksen in op de groeiende belangstelling voor
intervisie, coaching en mentoring. Helaas bevat dit
"praktijkboek" nauwelijk inspirerende
praktijkvoorbeelden.
Traditioneel
gezien is het docentschap een tamelijk eenzaam beroep.
Onderwijs trekt ook mensen aan die graag hun eigen
boontjes doppen. Die kwaliteit wordt een beperking op
het moment dat docenten samen moeten werken en (samen)
nieuwe dingen moeten leren. Dan blijkt ook dat er in
onderwijsorganisaties weinig infrastructuur is om van
elkaar te leren. Met alle vernieuwing in het HBO
ontstaat er daarom belangstelling voor zaken als
intervisie, (peer-)coaching, mentoring en collegiale
consultatie. Jeroen Hendriksen speelt daarop in met
zijn boekje "Collegiale consultatie", waarin
hij een poging doet enige orde te scheppen in al deze
vormen van deskundigheidsbevordering.
Het
opent met een hoofdstuk over achtergronden en
mogelijkheden van collegiale consultatie. Hij grenst
het begrip af van zaken als intervisie en coaching en
geeft een gespreksmodel. Vervolgens zijn er twee
hoofdstukken gereserveerd voor netwerken (hoe
organiseer ik benodigde deskundigheden om mij heen?)
en communicatie (over lichaamstaal, metacommunicatie,
blinde vlekken en feedback). Het vierde hoofdstuk is
gewijd aan de procesgang van het consultatiegesprek
aan de hand van de methodiek van de themagecentreerde
interactie. Het slothoofdstuk bevat de opzet voor een
meerdaagse training om de methode te leren kennen en
te oefenen. Elk hoofdstuk sluit af met een aantal
oefeningen en een checklist.
Op de omslaag belooft de uitgever de lezer "een
praktijkboek" wat suggereert dat de praktijk er
ruimschoots in beschreven wordt en dat de schrijver
handvatten biedt voor eigen toepassing. Daarin stelt
het boek toch wat teleur. Je vraagt je af welke lezer
gebaat is bij adviezen als: 'formuleer je
consultvraag", zoek in je netwerk de meest
geschikte consultgever" of "maak een
actieplan". Voor studenten in de zorgsector kan
het boek een eerste oriëntatie bieden in wat er bij
collegiale consultatie komt kijken, maar voor wie in
zijn wat met collegiale consultatie wil, biedt het
boek eigenlijk geen inspirerende voorbeelden of
oplossingen voor praktische problemen.
Uit: HBO-Journaal, 23, nummer 1, september 2000
Manager
& Literatuur
"Waar
twee wandelen, is er een de leraar", is een oud
gezegde. Bij collegiale consultatie roept de
consultvrager hulp en advies in van een deskundige
collega. De consultvrager kan een volgende keer zelf
de consultgever zijn. Deze werkwijze vraagt om een
stevig netwerk in en buiten de organisatie. Daarnaast
moeten consultvrager en consultgever zich een aantal
gespreksvaardigheden eigen maken die helpen om een
goed gestructureerd gesprek te voeren. Op deze wijze
kan collegiale consultatie een niet meer weg te
denken, relatief eenvoudige en goedkope methodiek
worden die gehanteerd wordt naast andere
begeleidingsvormen zoals coaching, mentoring en
intervisie. Hendriksen beschrijft in dit praktijkboek
mogelijkheden om collegiale consultatie tot
systematisch geheel te ontwikkelen. Het boek bevat een
groot aantal oefeningen die als complete training
worden aangeboden. Tevens wordt ieder hoofdstuk
besloten met een checklist en een aantal voorbeelden.
"Collegiale consultatie" is geschreven voor
een breed publiek, profit zowel als non-profit.
Trainers en opleiders, managers en staffunctionarissen
(bijvoorbeeld in het personeelswerk), coaches,
docenten en studenten kunnen hun voordeel doen met
deze inzichtelijk en praktisch uitgewerkte methode.
Uit:
Manager & Literatuur, nummer 2, november 2000
ZM
Consultatie
als inputverrijking onder gelijkwaardigen is de
thematiek van dit boekwerkje. Na een inleiding over
achtergronden en mogelijkheden worden netwerken, de
toegevoegde waarde van consultatie, de communicatie
hierbij, de balans in de dialoog (die consultatie is),
en het oefenen en trainen van consultatie besproken.
Elk hoofdstuk heeft een checklist en oefeningen.
Praktisch voor consultatieaangevers en -vragers.
Uit: ZM, nummer 11, november 2000
Markant
Waar twee wandelen, is er een de leraar; deze wijze
uitspraak van Socrates is het motto van het boek
"Collegiale consultatie. Consult vragen, consult
geven". Auteur Jeroen Hendriksen kent duidelijk
zijn klassieken. Helder en bondig zet hij uiteen wat
de mogelijkheden zijn van het consulteren van een
collega, wat de toegevoegde waarde ervan is en hoe
deze vorm van begeleiding tot een "systematisch
geheel" ontwikkeld kan worden.
Uit:
Markant, 5, nummer 9, november 2000
Psyche
De
auteur beschrijft mogelijkheden om collegiale
consultatie tot systematisch geheel te ontwikkelen.
Oefeningen worden als een complete training
aangeboden.
Uit:
Psyche, 12, nummer 4, december 2000
Supervisie
in opleiding en beroep
In verband met de lengte van de recensie hebben
wij alleen een deel van de conclusie weergegeven
"Collegiale consultatie, consult vragen, consult
geven" is een praktisch boek waarin de schrijver
op beknopte en eenvoudige wijze kernpunten uit
belangrijke theorieën weergeeft, naast oefeningen
voor het trainen van deze methode. Het collegiale
gesprek en de gelijkwaardigheid (er kan over en weer
consultatie worden gegeven) zijn bij Hendriksen heel
belangrijk. Zo belangrijk, dat dit soms leidt tot
voorbeelden waarbij het ook collegiale consultatie
genoemd wordt wanneer iemand gewoon een ander om hulp
of raad vraagt. De werkvorm collegiale consultatie is
erbij gebaat dat ze gewoon blijft en dus vaak wordt
toegepast, maar daar ligt mijns inziens ook het
gevaar. Voor snel even raad vragen is niet een hele
theorie nodig. Collegiale consultatie verdient een
zorgvuldige setting, juist om te voorkomen dat er snel
raad wordt gegeven. De gedachte is immers de eigen
mogelijkheden van de consultvrager optimaal te
gebruiken.
Die zorg vind ik niet terug in het boek. Hendriksen
vindt dat collegiale consultatie een eenmalig gesprek
kan zijn. Pas in hoofdstuk 4 lees ik terloops iets
over de voorbereiding voor een onderlinge consultatie
en dat onderlinge consultatie meer is dan "samen
werkproblemen bespreken". Het gaat er wel
degelijk om de ander zijn eigen vraag en probleem en
liefst ook oplossing te laten formuleren. En juist
deze taak is voor iemand die collegiale consultatie
geeft moeilijk, zowel gesprekstechnisch als
relationeel. Caplan gaf veel aandacht aan de juiste
relatie tussen consultgever en consultvrager. De
consultgever is geen therapeut, geen leidinggevende en
geen supervisor.
Ook Van Ravenzwaaij komt in zijn boek "Konsultatie
in de geestelijke gezondheidszorg" (1972)
voortdurend terug op de noodzaak om de relatie en de
inhoud van consultatie helder te houden. Hendriksen
lijkt deze kwesties te willen omzeilen door de methode
zo gewoon mogelijk voor te stellen. Consultatie kan
tijdens het wandelen, consultatie kan wederzijds, en
een gesprek is voldoende om van collegiale consultatie
te kunnen spreken. Caplan heeft het in zijn definitie
van collegiale consultatie over een proces van
interactie tussen twee professionele werkers. Over het
proces en de interactie is juist vanuit de andere
rollen die je als collega's nu hebt, lees ik in dit
boek niets.
[...]
Conlusie: Hendriksen heeft een gemakkelijk leesbaar en
praktisch boek geschreven. Zijn bedoeling om de
werkvorm collegiale consultatie te redden van
verwarring en verwatering is in mijn ogen niet gelukt.
Ria
Wijdeven
Uit: Supervisie in opleiding en beroep, nummer 4, 2000
Nieuwsbrief
dagbesteding
Jeroen Hendriksen is bekend van verschillende uitgaven
op het gebied van intervisie. Zijn boeken kenmerken
zich door een heel praktische opzet en zijn in
begrijpelijke taal geschreven. Daardoor zij ze zeer
geschikt voor onderwijsdoeleinden en voor
functionarissen op diverse niveaus. De nieuwste
uitgave gaat over consult vragen en consult geven. Bij
collegiale consultatie roept de consultvrager hulp en
advies in van een deskundige collega. De consultvrager
kan een volgende keer zelf de consultgever zijn. Deze
werkwijze vraagt volgens Hendriksen om een stevig
netwerk in (en buiten) de organisatie en om goede
gespreksvaardigheden. In "Collegiale
consultatie" beschrijft de auteur de
mogelijkheden om deze methodiek systematisch toe te
passen. De vijf hoofdstukken behandelen
achtereenvolgens:
- collegiale consultatie: achtergronden en
mogelijkheden
- netwerken, de toegevoegde waarde bij consultatie
- die "verschrikkelijk eenvoudige"
communicatie
- de dialoog in balans
- collegiale consultatie oefenen en trainen
Vooral de oefeningen maken het boek geschikt voor
gebruik tijdens trainingen collegiale consultatie. En
dat trainen is belangrijk. Net als coaching en
intervisie (het verschil met collegiale consultatie
wordt overigens heel kort maar helder geschetst)
vraagt collegiale consultatie om de nodige vaardigheid
en die leer je niet uit een boek. Lezing van het boek
is een goede oriëntatie op het thema, gebruik als
werkboek bij een training is een aanzienlijk
effectievere benadering. Een belangrijk voordeel van
vaardigheid in collegiale consultatie blijft enigszins
ondergeschikt; anders dan bij bijvoorbeeld intervisie
vraagt collegiale consultatie niet om een vaste groep,
een vaste frequentie en vooraf vastgestelde
tijdsinvestering. Wanneer proffesionals het collegiaal
consulteren (vragen en geven) beheersen, maken ze
effectiever gebruik van elkaars ervaringsdeskundigheid
en passen ze die inzichten en vaardigheden ook toe op
momenten die wellicht niets eens als collegiale
consultatie worden ervaren. Een basis voor een
collegiale/begeleidingsattitude, zoals coaching dat
ook zou moeten zijn.
Uit: Nieuwsbrief dagbesteding, jaargang 5,
nummer 1, maart 2001
Terug naar publicaties
|
Terug naar
publicaties
|