< Home
Als worddocument |
Het gesprek leiden
tijdens een intervisiebijeenkomst
Een beginnende intervisiegroep begeleiden is niet
altijd even makkelijk. Afhankelijk van vooropleiding
en ervaring (soms ook met intervisie) staat de een
daar steviger in dan de ander. Veel mensen hebben wel
geleerd vergaderingen te leiden en zijn daardoor
minder gewend om leerprocessen te faciliteren. In deze
notitie richt ik me op die gespreksleiders die geen
ruime ervaring hebben in het ondersteunen van
leerprocessen, maar op nuchtere praktische mensen die
een hieronder een aantal aanwijzingen vinden om zo’n
gesprek te leiden.
Ondersteuning
In het algemeen richt de gespreksleider zich op
twee typen ondersteuning.
1. het verhelderen, bewaken en ondersteunen van het
proces van intervisie (d.w.z. het bewaken van de tijd
en het duidelijk doorlopen en afronden van de
verschillende processtappen zoals kiezen van de vraag,
analyseren e.d.).
2. het ‘coachen’ op de interactie van de deelnemers.
Daarmee bedoel ik dat een gespreksleider kan
interveniëren wanneer groepsleden elkaar niet laten
uitspreken, niet goed naar elkaar luisteren, niet
direct communiceren, niet doorvragen, niet ingaan op
emoties e.d.).
Bij intervisie is het overigens een gedeelde
verantwoordelijkheid om het gesprek in goede banen te
leiden; voor iedereen is het mogelijk iets in te
brengen over de wijze waarop de groepsleden met elkaar
communiceren en de gespreksleider daarin te
ondersteunen. Het gaat om volwassen leren!
Tips voor de gespreksleider
1. Zorg voor een ontspannen sfeer, laat iedereen
rustig aankomen en de hectiek van alledag even van
zich afschudden. Bijvoorbeeld door ieder even te laten
vertellen over het werk, de drukte, een leuke
ervaring, een succesje o.i.d. Soms kan ook rust de
groep helpen om aan te komen (een paar minuten stilte
om te schakelen). Laat merken dat je de regie in
handen hebt, zonder daarmee te nadrukkelijk aanwezig
te zijn.
2. Wees jezelf bewust van je positie t.o.v. de
deelnemers. Zit je zo dat je iedereen volledig zien
kan? Dat kan eigenlijk alleen in een kring, zonder
tafels e.d. waardoor de communicatie non-verbaal ook
volledig waargenomen kan worden.
Zit je rond een of meer tafel(s), kies dan een positie
waar je iedereen zo volledig mogelijk kan zien, anders
loop je het risico dat je bepaalde deelnemers niet
hoort, niet ziet en zelfs kunt gaan negeren.
3. Wanneer er al een eerste bijeenkomst geweest is,
wordt er aan de inbrenger van vorige keer gevraagd wat
zijn voornemens opgeleverd hebben. Wat is het concrete
resultaat?
Betrek de andere groepsleden bij het vragen stellen en
doorvragen. Voorkom dat de rapportage leidt tot een
hernieuwde behandeling van het probleem! Je kunt ook
vragen wat de gespreksleider geleerd heeft.
4. Let er op dat het helder is wie een probleem
inbrengt of dat alle groepsleden dit doen. Afspraken
zijn gediend met duidelijkheid. De gespreksleider
begeleidt de keuze van het probleem door de criteria
(urgentie, interessant probleem, actualiteit, aan de
beurt) toe te passen. Vervolgens moet de
probleemstelling kort en helder (in één zin)
geformuleerd worden en zo mogelijk op een flap
opgeschreven worden.
5. Gebruik zo veel mogelijk een flipover (met zwarte
stift). Schrijf vooraf de fases of stappen van de te
hanteren methode op of deel een A-4tje uit.
6. Soms zeggen deelnemers: ‘’ik heb echt geen
probleem, ik hoef niet zo nodig vandaag, het is niet
dringend, ik ben een beetje moe, het was te druk om me
voor te bereiden’’
Accepteer dit niet zomaar! Ga hier niet te snel
overheen, maak evt. afspraken wie de volgende keer een
probleem inbrengt, koppel er bv. de oefening
‘’profielbeschrijving’’ aan. Geef aan dat de
deelnemers zelf verantwoordelijk zijn voor die paar
minuten reflectie en voorbereiding vooraf! (wat te
doen als niemand een probleem heeft???)
7. De gespreksleider mag in de fasen: vraag formuleren
en herformuleren/adviseren/plan maken streng inhoud en
tijd bewaken (vergaderkwaliteiten!) In de fase analyse
ondersteunt hij/zij de groep in het onderzoek en trekt
zich meer terug. De ruimte helpt de groep creatief te
zoeken. In kleinere groepen kan de gespreksleider als
deelnemer meedoen mits beide petten uiteen gehouden
worden!
8. Bouw rust en stilte in, bijv. om naar de tekst op
de flipover te kijken en die door te laten dringen. Of
even een minuut nadenken voor de herformuleringen en
adviezen gegeven worden. Of om het voornemen van de
inbrenger te laten bezinken.
9. Als de groepsleden erg op elkaar gelijkende
adviezen geven en weinig creatieve oplossingen
aandragen, vraag dan om uitersten te benoemen of
‘’onmogelijke’’ oplossingen in te brengen.
10. Humor mag! Geen intervisiegroep zonder een
bevrijdende lach! Maar houd wel de regie naar het
eindresultaat (binnen de tijd).
11. Soms zijn deelnemers teleurgesteld als hun advies
niet overgenomen wordt en willen ze in die fase
opnieuw in discussie om aan te tonen dat hun advies
toch eigenlijk het beste was.
Kap dit af en geef aan waarom dit niet relevant is.
Belangrijke interventies
• Persoonlijk aanspreken, bijv. op luistergedrag,
laten uitspreken, doorvragen
• Eenduidige vragen laten stellen (geen drie tegelijk)
• Open vragen stellen in plaats van gesloten vragen
(vraag naar hoe, wie, wat, waarom)
• Niet laten diagnostiseren, concluderen, adviseren of
interpreteren. Dit blokkeert i.h.a. de gedachten van
de inbrenger omdat hij geconfronteerd wordt met een
mening of oplossing.
• Reageer op onderlinge irritaties, storingen en
afdwalingen. Stel de groep vragen daarover en betrek
ze in de oplossing. Maak steeds de deelnemers
MEDEverantwoordelijk voor het proces.
© Jeroen Hendriksen
|