Terug
HomeStuur mij bericht als het boek
Intervisie en
organisatieopstellingen
is verschenen.
|
Voorpublicatie
Intervisie en organisatieopstellingen
We hebben de
intervisievraag uitgekozen. Selma, beleidsmedewerker van een
grote landelijke organisatie is aan het woord.
‘Ik heb mijn vraag niet zo duidelijk’, zegt Selma, ‘het is
ingewikkeld. Ik werk in een grote landelijke organisatie waarin
politiek een grote rol speelt. Alle managers zijn strategen, op
macht en invloed belust en politiek betrokken. We worden van
buiten door de politiek beoordeeld en ook onze doelgroep staat
politiek-maatschappelijk in de belangstelling. We zitten midden
in een reorganisatie. Ik ben gepolst voor een functie als
manager en in vertrouwen is mij toegezegd dat als ik solliciteer
ik het ook worden zal.
Maar hoe zal ik me voelen als ik het word, als enige vrouw
tussen al die mannen, beter gezegd: waar begin ik aan? Moet ik
deze stap wel zetten, ik twijfel ontzettend.’
In een kort gesprek tussen begeleider en Selma worden de
‘spelers’ in het veld bepaald. Allereerst Selma zelf, dan haar
doelgroep, het management, het landelijk bureau, de
subsidiegevers en tot slot ‘de nieuwe functie van Selma’. Selma
vraagt zelf mensen uit de groep om de personen of groeperingen
uit het verhaal op te stellen. Ze ordent deze representantenin
de ruimte tot ze volgens haar goed staan.
Wat valt op?
Ze (d.w.z. de vrouw die haar vertegenwoordigt in de opstelling)
kan het landelijk bureau, de politiek en de subsidiegevers niet
echt zien. Wel heeft ze contact met haar doelgroep en haar
nieuwe functie. Het landelijk bureau is erg onrustig, de vrouw
die dit vertegenwoordigt voelt zich misselijk worden en kan haar
plek niet vinden. De vrouw die haar nieuwe functie
vertegenwoordigt staat niet goed, wil beslist een andere plek.
Alle representanten zoeken vervolgens zelf een nieuwe plek.
Selma, die aan de rand van de opstelling toekijkt, wordt
gevraagd wat ze er van vindt. Selma vindt de opstelling zeer
herkenbaar voor wat zich in de praktijk voltrekt: onrust,
reorganisatie, ze kan niet alles overzien, management en bureau
zijn ver weg. Daarna wordt aan de representanten gevraagd hoe
zij zich voelen; dat leidt opnieuw tot verschuivingen in de
opstelling.
Langzaam maar zeker beweegt de opstelling zich naar een nieuw
evenwicht. Ook het landelijk bureau wordt rustiger, de nieuwe
functie van Selma staat stevig in het midden en rechts van de
echte Selma die in de opstelling is komen staan. Aan haar
vrouwelijke kant. De nieuwe balans in de groep representanten is
treffend; Selma kan nu ook –zeker in haar nieuwe functie- in
contact zijn met enerzijds de directie en anderzijds de
doelgroep. Ze is zelf onder de indruk van de beweging in de
groep en van de reacties van de representanten. We nemen pauze
om alles even te laten zakken.
Na de pauze formuleert Selma als haar reflectie: ik heb ontdekt
dat ik wel graag in het midden sta en alles en iedereen overzie
en er contact mee heb. Maar ik ben zo bang dat het ten koste van
mijn contact met de doelgroep gaat, dat ik er echt eentje van
het management word, koel, berekenend en strategisch. Maar als
ik het niet doe, wie dan? Weer een man? Mijn vraag heeft alles
met kiezen en met durven te maken.
De intervisiegroep stelt vragen. De vragen hebben vooral te
maken met de gevoelsbeleving van Selma als ze voor deze baan wil
gaan. Kan ze in deze baan gelukkig worden? Werkt ze net als de
politieke mannen of anders, wat is haar nieuwe inbreng als
vrouwelijk manager?
Voelt ze zich inhoudelijk sterk genoeg? Hoe kan ze het contact
met de doelgroep bewaren?
Veel vragen om de reflectie te bevorderen, geen tips of tools,
maar een zoektocht naar de kern van de vraag. Het wordt een
zoektocht naar haar roeping in dit leven en zo’n vraag hoeft
niet onmiddellijk van antwoorden voorzien te worden. Selma
vraagt een vrouw en een man uit de kring om een vervolggesprek
mee te hebben. Ze gloeit van daadkracht en enthousiasme.
‘Ik weet nu dat ik deze baan echt wil,’ zegt ze, ‘En dat het me
gaat om de invulling, daar zit mijn kracht. Daar wil ik het met
mijn nieuwe coaches over hebben’
Er gebeurt zo veel in een organisatieopstelling, dat het soms
moeilijk is te focussen op de kern van de vraag, vindt Selma
tijdens de nabespreking. En voor de ‘kijkers’ is het lastig bij
de vraag van Selma te blijven en niet onmiddellijk met allerlei
vragen en interpretaties over de opstelling aan de gang te gaan
en de begeleider te bedelven onder de vragen. Na afronding van
de intervisie wordt er tijd ingeruimd om meer theoretisch terug
te blikken, te ‘snappen’ wat er gebeurd is en alles een plek te
geven.
Jeroen Hendriksen
|
|