|
< Home
* Gepubliceerd in Coachinggids
2007 onder de titel 'Werken met
plezier'.
|
De adjudant van de keizer voor de spiegel*
De coach en zijn plezier en prestatie
Werk ik met plezier? Ja,
natuurlijk, anders deed ik wel wat anders. Presteer
ik? Dat mag ik wel hopen. Mijn klanten zijn tevreden,
ik zie ze ploeteren, zoeken, resultaten boeken,
problemen oplossen, grenzen verleggen, kortom
presteren. Mijn rekeningen, lang niet mis, worden
zonder morren betaald.
Natuurlijk stel ik mij op als
ondersteuner van de ander, help ik om mijn klant zijn
of haar eigen weg te laten zoeken, gebruik ik daarbij
mijn managementervaring, trainerservaring,
levenservaring en enkele relevante opleidingen.Klaar
met het beantwoorden van de vraag naar plezier en
prestatie. Of toch…
Zo’n simpele vraag om over werkplezier en prestatie
bij coaching te schrijven gaat (bij mij) vervolgens
kriebelen. Is er niet meer over te zeggen? Waar zit
dan mijn plezier, hoe herken ik dat, hoe uit ik dat?
En presteer ik echt? Welke prestaties dan, hoe meet ik
die, houd ik mezelf niet voor de gek door in de
spiegel te kijken en te zeggen: ha Jeroen, ervaren
kop, het zit wel goed met jou!
Om antwoord op deze vragen te krijgen heb ik drie
recente gesprekken samengevat en wil ik met behulp van
deze teksten (mijn reflectiemateriaal) onderzoeken
welke antwoorden er zijn te geven over met name het
presteren van de coach. Plezier is van een afgeleide
orde; ik zou het ook over mededogen kunnen hebben, of
ontroering of een traan, betrokkenheid.
Onder de druk uit of druk
leren hanteren?
Wijnand komt vandaag met de vraag: wil ik een
carrièreswitch maken, binnen of buiten mijn werk?
Dit is ons eerste gesprek na de intake. Wijnand is een
stevig gebouwde man van even in de veertig die van
zijn stevigheid zijn imago gemaakt heeft. Iedereen
denkt dat hij alles kan, de harde saneerder binnen het
bedrijf, de interimmer die snel knopen doorhakt, de
’macher’. Maar hij vreet de problemen op, letterlijk,
want hij heeft de afgelopen vakantieperiode last maag
en darmen gekregen.. De ziekenhuisopname, zijn
angsten, zijn verantwoordelijkheidsgevoel naar zijn
gezin en het werk zijn hem niet in de kouwe kleren
gaan zitten. Veel te veel stress. Dit wil hij nooit
meer. Toch begint hij over een paar weken een
driejarig traject gericht op een complete
reorganisatie van een sector. Hij weet niet of hij dit
echt wel wil of dat hij toch maar eens iets rustigers
moet zoeken. De kinderen vragen thuis ook heel veel
aandacht op het moment. Hij wil graag helderheid
voordat hij deze nieuwe klus begint. En daarvoor zit
hij bij mij.
Ik krijg bij zijn wat moeizaam
vertelde verhaal heel veel associaties, heel veel
vragen, heel veel ingangen die niet direct met zijn
vraagstelling te maken hebben. Ik hoor en proef zijn
woorden, zijn taal, de zoektocht en zijn haperingen.
Ik zie hem geblokt en zwaar, haast bewegingsloos,
zitten op zijn stoel. Ik verzamel aanwijzingen voor de
vraag achter de vraag. Ik vertel hem dat . Hij erkent
dat er andere vragen spelen, meer op het niveau van
identiteit en zingeving, maar die komen in de loop van
het traject wel aan bod, denkt hij. Hij maakt de keuze
om vandaag zijn oorspronkelijke vraag te verkennen met
het oog op de komende startdatum van zijn nieuwe job.
We praten wat los. Het is een
manier om samen in zijn verhaal te komen. Daaruit
blijkt dat Wijnand zoals hij het zelf zegt ‘’door de
bomen het bos niet meer ziet’’. Dan stel ik hem voor
een inventarisatie van belangrijke elementen in zijn
vraagstelling te maken op de flip-over met behulp van
de mind-map methode (zie illustratie).
We analyseren zijn huidige
werksituatie, verkennen positieve en minder positieve
elementen, bespreken vragen rondom stress en
belasting. We onderzoeken zijn persoonlijke ambities,
zijn gezins- en sociale context. Uiteindelijk benoemt
Wijnand aan de hand van de groeiende structuur in zijn
verhaal zijn persoonlijke kwaliteiten. Waar krijgt hij
de ’flow’ van, wat vindt hij leuk, spannend, uitdagend
aan zijn werk? Hij noemt: creatief zijn, met mensen
werken, coachen, ontwikkelen en conceptueel denken.
Dan komt de zucht, een diepe zucht en hij kijkt me
eigenlijk voor het eerst recht in mijn ogen. ‘Dat vind
ik dus in mijn werk, juist als ik met de volgende klus
begin!’
Wat heb ik dan fout gedaan?
vraagt hij zich af. Hij komt op twee dingen: ik heb
nooit goed voor mezelf gezorgd en ik heb nooit met
iemand over mijn dagelijkse sores gepraat. Hij vraagt
zich ook af welke plek zijn emoties in zijn werk
hebben. Hij zegt:’ Ik voel me vaak onzeker en dat
gevoel neem ik mee naar huis. Dat zit me in mijn nek
en maakt me besluiteloos. Daar krijg ik letterlijk
verstopping van.’ Wijnand kijkt me opnieuw aan: ‘Ik
zit goed met mijn nieuwe job’, zegt hij, ‘maar ik heb
twijfel over wat ik met mijn emoties doe.’ We spreken
af dat hij zijn twijfel in kaart gaat brengen voor de
volgende afspraak.
Voor mijn spiegel gezeten werk ik
aan mijn reflectie. Aan de hand van een direct
uitgeschreven verslag stel ik me de vraag waar mijn
plezier en mijn prestatie(s) uit voortkomen:
-
Mijn zorgvuldigheid bij het bepalen van de
feitelijke werkvraag in overleg met mijn klant (en
niet in mijn valkuil te stappen andere thema’s
belangrijker te vinden en zelf als deskundige in het
leed van de ander naar voren te schuiven). Ik voel
me tevreden.
-
Het volgen van een onderzoekstraject samen met de
klant met behulp van een inspirerende
werkvorm(mind-mappen); het was spannend en
bevredigend om te doen.
-
Het waarnemen van de bevrijdende non-verbale reactie
van mijn klant: de zucht van verlichting, het nieuwe
inzicht, de vervolgvraag die hout snijdt. Zijn
nieuwe inzicht maakt mij echt blij.
Mijn twijfel zit bij de vraag of
ik toch niet had moeten doorpakken naar de vraag
achter de vraag. Ik check dat een volgende keer bij
Wijnand (transparantie in gedrag).
Burnout voorkomen
Vandaag heb ik een gesprek met Wendy en haar manager,
die als opdrachtgever een coachingscontract getekend
heeft waarin staat dat na zes gesprekken coach,
coachee en opdrachtgever bij elkaar komen om de stand
van zaken op een rij te zetten. Wendy heeft als
doelstelling voor het traject samen met haar manager
geformuleerd dat prioriteiten stellen het leerdoel is.
Als coördinator van een zwaar belaste paramedische
afdeling loopt het water haar af en toe over de
schoenen. En de manager lijkt hieraan bij te dragen
door maar te roepen en te vragen (of zijn het
opdrachten en eisen?). Wendy komt om in het werk en
het is nooit af.
In een voorgesprek hebben Wendy
en ik afgesproken dat zij voor het gesprek de volgende
zaken zal inbrengen:
-
Ik voel mij zwaar overbelast, misschien wel op het
randje van burnout
-
Help mij om mijn prioritering door te voeren, zodat
ik de achterstand kan inhalen
-
Ik wil voorlopig doorgaan met coaching gericht op
meer persoonlijke vragen
Mijn rol is die van
gespreksleider. Wendy bewaakt zelf of zij haar doelen
behaalt. Andersom de teammanager ook. Ik heb ook
aangegeven dat ik punten verhelderen wil die mij van
belang schijnen voor de voortzetting van het traject.
Wendy vertelt over haar
overbelasting: het is een hele stap om haar
’zwakheden’ bij haar manager te uiten. Ze heeft het
gevoel niet beantwoord te hebben aan de verwachtingen
die men van haar had en ook het gevoel dat ze zelf
steeds haar lat te hoog legt. De reactie van de
manager luidt: laten we het dan maar gauw over die
prioritering hebben. En beiden storten ze zich op
concrete afspraken…
Vervolgens ontwikkelt zich in de communicatie tussen
manager en coördinator een gesprek waarbij de manager
chaotisch redeneert en geen of onduidelijke afspraken
maakt en mijn coachee zeer breedsprakig is, alles
opnieuw uitlegt en herhaalt en uiterst vertragend
overkomt. De een wil tempo en de ander wil gehoord
worden, denk ik bij mezelf.
Ik check deze vooronderstelling. Ik geef daarbij aan
dat de manager op geen enkele wijze op
betrekkingsniveau gereageerd heeft op het verhaal van
Wendy over haar overbelasting en dreigende burnout. Op
haar beurt heeft Wendy er niet nadrukkelijk naar
gevraagd. En in de tweede plaats zitten ze elkaar
verbaal in de haren. De een wil nu wel eens opschieten
en de ander wil haar verhaal kwijt. Ja, zeggen ze
allebei, daar heb je gelijk in. En zo doen we altijd
naar elkaar toe.
We beginnen overnieuw. We
bespreken en oefenen het gesprek van manager en
coördinator. De manager lacht op het eind, ‘We moeten
dit de volgende keer weer doen. Daar leer ik ook van!’
Mijn plezier en/of prestatie(s)
komen voort uit:
-
Het werken met een contract waardoor mijn werk in
relatie blijft met het systeem waarbinnen de klant
zich wil veranderen. Ik voel me zeer gesteund door
dat duidelijke contract.
-
Het bespreken van de miscommunicatie tussen manager
en coachee, waardoor vastgeroeste patronen zichtbaar
worden. Dat was een stevige interventie die hun
communicatiepatroon bloot legt. Dat vind ik goed
gedaan van mezelf.
-
De bewustwording van mijn coachee tijdens het
traject over de werkelijke coachingsvraag: ben ik op
weg naar een burnout en hoe kan ik dat voorkomen?
Dat geeft
mij de beleving iets te kunnen bijdragen aan de
worsteling van Wendy. Mijn twijfel zit bij de
vraag of mijn interventies wel voldoende geweest zijn
om de relatie tussen manager en coördinator te
verbeteren. Moet ik niet een tweetal gaan coachen?
De
ideale coach
Frieda valt met de deur in huis. ‘Jij bent zo
ongrijpbaar,’ zegt ze, ‘Het stroomt en het stokt, ik
krijg er geen vinger achter. Je humor begrijp ik soms
niet. Hoe kijk jij eigenlijk tegen mij aan?’
Frieda is cursist aan de opleiding tot personal coach,
half dertig en werkzaam als trainer bij een grote
organisatie.Ik voer een aantal coachingsgesprekken met
haar ter ondersteuning van haar ontwikkeling als coach
binnen de leergang waar ik opleider ben. Ik heb de
neiging om onmiddellijk te roepen: ‘Jij bent een
groeibriljant, ik denk dat jij een hele goeie coach
wordt!’ In plaats daarvan vraag ik haar om haar vraag
nader te omschrijven en van concrete voorbeelden te
voorzien.
Al pratend ontstaat het beeld van
een cursist die hoge verwachtingen heeft van mij en
van de cursus. Gelukkig worden die beantwoord, maar
wat ze niet weet of hoort is of ze alles wel begrijpt,
of ze alles wel goed doet. Ze zou meer aandacht en
persoonlijke feedback willen hebben. Ze heeft zich
voorbereid op ons gesprek door onder meer op te
schrijven wat er allemaal goed of fout kan gaan in dit
gesprek. In het gunstigste geval wil ik er wel over
praten (en daar hoopt ze op); in het ongunstigste
geval wil ik het er niet over hebben, of doe ik het af
met één zin. Ik kan ook boos worden. En het ergste is
dat ik haar stom vind.
Ik word gewaar dat er extreme
verwachtingen naar mij geformuleerd worden. Ik vraag
haar of ze dergelijke verwachtingen ook projecteert op
andere mensen uit haar omgeving. Ze neemt tijd, denkt
na. Jawel, zegt ze dan, bij mijn vader en moeder.
Vooral mijn moeder. Die is zo veeleisend. Ik moet
voldoen aan het ideaalplaatje en dan zegt ze ook nooit
dat ik het goed doe.
Ik heb steeds geprobeerd aan haar
verwachtingen te voldoen en toch mezelf te blijven.
Dat kan natuurlijk niet, ik kom daar nu pas een beetje
van los. En toch wil ik van haar vooral steeds weer
horen dat ik het goed doe, van mijn vader ook trouwens
maar dat is meer op materieel gebied.
Nu kan ik haar vertellen van
projectie en overdracht. Dat oude patronen die vroeger
opgebouwd zijn meewandelen in projectie van die
gevoelens naar anderen die in een vergelijkbare
situatie zijn, zoals ik als leraar of ouderfiguur. En
ik kan uit de grond van mijn hart zeggen dat ik geloof
dat ze veel potentie heeft als coach. Ze is helemaal
verbaasd, op een voldoende had ze wel gehoopt, maar
een hele goeie? Ik zal het wat vaker zeggen en jij mag
het ook vragen, zeg ik haar. Bij het weggaan krijg ik
een elleboog in mijn zij: 'Toch wel fijn dat ik niet
stom ben.
Mijn plezier en/of prestatie
komen voort uit:
- Mijn tevredenheid dat ik niet
in de valkuil van verdediging of weerstand gestapt
ben.
- Het verhelderen van een voor
de toekomstige coach wezenlijk fenomeen als
overdracht (en tegenoverdracht), zoals dat in
vrijwel iedere coachingsrelatie een rol speelt. Ik
voel als ik eerlijk ben, een soort beroepstrots.
- Het inzicht, de blijdschap,
het kunnen loslaten van de projectie in mijn
richting, wetend dat onze contacten niet meer zo
beladen zullen zijn.
Mijn twijfel zit bij de vraag of
ze een relatie kan leggen naar de coachingsgesprekken
die zij met klanten heeft. En ook of ze mijn grappen
nu wel gaat begrijpen…(heb ik ook last van
tegenoverdracht, ofwel: wat projecteer ik op haar? De
vader, de leraar?)
De adjudant van de keizer
Al schrijvend is het voor mij
alsof plezier en presteren samenvallen. Beide
elementen in het werk van de coach maken het vak zo
mooi. Ieder gesprek kan zo een geschenk worden waar ik
ook van genieten kan/mag. Ook als ik er een diep
gevoel van mededogen van overhoud, of ontroering. Of
gewoon tevredenheid over gerealiseerde inzichten. En
als zo’n gevoel er niet is, ga ik voor de spiegel
zitten en vraag me af: wat is er mis gegaan? Hoe had
ik het beter kunnen doen?
Wezenlijk voor de voortgang van
het coachingstraject is mijn gespreksverslag. Als ik
geen verslag maak weet ik over 14 dagen of over een
maand niet meer wat de kern van het gesprek was: welke
inzichten er ontstonden, hoe de non-verbale en verbale
reacties waren, welke mijn interventies waren en waar
het plezier, de pretogen, de ontroering of de tranen
kwamen. Wat hebben we samen voor elkaar gekregen, is
de vraag. Misschien ligt mijn presteren wel in het
kunnen nagenieten van het gesprek en op zoek te gaan
naar dat sprankje twijfel dat me bij onderzoek helpt
om een volgende keer nog beter op de klant te
focussen.
De basishouding van de coach is
wel eens omschreven als die van de adjudant van de
keizer. De coach zet zich in om de ander maximaal
te laten presteren. De ander staat in de schijnwerpers
en de coach niet. Er zijn coaches die niet met zo’n
positionering kunnen leven; zij gaan directief werken,
worden ongeduldig, nemen de leiding, gaan therapeut,
directeur of schoolmeester spelen. Terwijl coachen nu
juist gebruikmaakt van gelijkwaardigheid, ruimte,
transparantie, eerlijkheid en openheid. Coachen is
geloven in de kracht van twee gewone mensen die samen
willen leren. Die allebei fouten mogen maken, mogen
lachen en huilen om voortgang te maken.
Mijn reflecties uit bovenstaande
casuïstieken samenvattend denk ik dat de coach
presteert wanneer hij of zij:
-
Zich in hart en hoofd de houding van de adjudant van
de keizer heeft eigen gemaakt
-
Professioneel en zorgvuldig werkt met intake,
contract, verslagen, rekeningen en afspraken
-
Professioneel en zorgvuldig werkt met
procesgegevens, de vraag van de klant, interventies
en herformuleringen van de vraag, de verdieping van
het gesprek gericht op emotie of zingeving
-
Methoden en technieken niet als tooltje inzet maar
functioneel als ondersteuning van een onderzoeks- en
leerproces
-
Zich bewust is van de grenzen aan coaching (wanneer
verwijzen naar therapie of wanneer niet gaan
coachen)
-
Bereid is zich te blijven scholen en twijfels
bijvoorbeeld voor te leggen aan zijn
intervisiegroep, een collega-coach, een masterclass
o.i.d.
-
In staat is werkelijk te reflecteren op zijn eigen
gedrag als coach met de bedoeling zijn/haar
professionaliteit te verbeteren
-
En misschien het allerbelangrijkste: in verbinding
zijn met de coachee, een goede timing hebben ter
verduidelijking van vraag en perspectief, luisteren,
‘er zijn’ in aandacht en in betrokkenheid
Ik
kreeg eens een telefoontje van iemand die ik een
jaar daarvoor gecoacht had. Geen makkelijke klant,
spaarzaam met woorden en gedachten. Hij wilde graag
weer een keer gecoacht worden, het ging best goed,
maar toch… OK, afspraak maken en tot ziens (ik zat
in de auto te bellen). Hij komt op de afgesproken
datum en ik vraag naar zijn werkprobleem. Dat heb ik
niet, was zijn antwoord.
Waarom
ben je dan hier? Zijn antwoord: mijn baas zei dat het
goed was als ik ieder jaar een keer met mijn coach
praatte. We hebben gepraat, het ging over zinnige
zaken, en we hebben afgesloten.
Had ik
in de auto maar doorgevraagd… Ik heb geen rekening
gestuurd (een hele prestatie).
© Jeroen Hendriksen |